Hoe persoonlijk wil je het hebben?
In een boekwinkel stuitte Liliane Waanders op het boekje Het leven moe van Detlev van Heest. Een boekje waarin Van Heest gesprekken optekent die hij met Lousje Voskuil-Haspers voerde. Het boekje is rijk geïllustreerd: Michèle Baudet legde de omgeving waarin de gesprekken plaatsvonden zorgvuldig vast. En dat riep bij onze columnist vragen op.

Ik bladerde het boekje gretig door. Ik viel voor de foto’s. Maar liet het in eerste instantie toch liggen. De foto’s gaven me het gevoel een voyeur te zijn. Het inkijkje dat ze gaven, kwam me als te schaamteloos voor. Ze waren er, maar was het ook de bedoeling dat ik ze zag? En wist degene in wier woning ze gemaakt waren dat ze gepubliceerd zouden worden? Of was ze zich ook toen al niet meer helemaal bewust van de dingen en de dagen? Een week later ga ik overstag en koop ik Het leven moe van Detlev van Heest alsnog.
Het leven moe geeft in negen dialogen een beeld van de staat van zijn van Lousje Voskuil-Haspers, de weduwe van J.J. Voskuil, de schrijver van Bij nader inzien en Het bureau – en nog veel meer, maar zijn bekendheid ontleende hij toch vooral aan die twee autobiografische titels waarin hij zijn doen en laten en dat van zijn vrienden – in Bij nader inzien – en dat van zijn collega’s – in Het bureau – minutieus optekent.
Detlev van Heest – bevriend geraakt met de Voskuils en min of meer J.J.’s literaire epigoon – schrijft bijna net zo precies, niet alleen als hij verslag doet van zijn eigen wederwaardigheden – hij schreef onder andere romans over zijn verblijf in Japan en over wat het betekent om parkeerwachter in Hilversum te zijn, maar ook als het Voskuil, Lousje en hun (literaire) nalatenschap betreft. Dat levert in Het leven moe een pijnlijk precies portret op van de nog altijd eigenzinnige, maar nu ook in verwarde staat verkerende en daardoor extra opstandige Lousje.
Hoe confronterend de teksten zouden zijn, wist ik niet toen ik het boekje in eerste instantie afwees. Toen ging het me om de foto’s. Foto’s die me deden denken aan foto’s waarop het interieur van de huizen van Marguerite Duras is vastgelegd. Prachtige en veelzeggende foto’s – net zoals de foto’s van de wanorde in het Parijse huis van Michel Houellebecq – waarop de bewoner zelf ontbreekt, maar juist daardoor extreem aanwezig is.
Veel dichter op de huid kun je een schrijver niet zitten. Zelfs als een boek bekend staat als uitermate autobiografisch kun je altijd nog denken: dit heeft hij verzonnen. Bij de foto’s van Michèle Baudet, Catherine Faux en Martin de Haan is er geen ontkomen aan: dit zijn de dingen waarmee Voskuil, Duras en Houellebecq zich omringden. Dit is de chaos waarin zij dagelijks verkeren. Meer dan hun teksten fungeren de foto’s als de spiegels van hun ziel. En als toeschouwer kun je niet wegkijken.
Het is maar zelden dat een tekst als te autobiografisch aangemerkt wordt – misschien is het recent verschenen Alles voor de reis, waarin Adriaan van Dis nog openhartiger dan we van hem gewend zijn de liefde bezingt om zijn recent overleden vriendin te eren – een uitzondering op die regel. Over het algemeen kan een schrijver niet ver genoeg gaan, en zelfs als elke aanleiding ontbreekt om te denken dat een boek autobiografisch ingestoken is, zoekt menig lezer nog naar aanknopingspunten.
Zoals gezegd: J.J. Voskuil zelf nam geen blad voor de mond als hij het over vrienden en collega’s had, en spaarde zichzelf en zijn vrouw tijdens het portretteren ook niet. Ik heb het meest genoten van Het bureau, maar las bijna alles wat Voskuil aan het papier toevertrouwde en op enig moment door hem of door zijn vrouw vrijgegeven werd voor publicatie, inclusief zijn dagboeken. En toch twijfelde ik over Het leven moe. En voel ik me nu ik het gekocht en gelezen heb niet helemaal zeker van mijn zaak. Hoe persoonlijk wil je het hebben? Het zijn mooie foto’s – maar minder documentair en artistiek dan de foto’s van Catherine Faux en minder rauw dan die van Martin de Haan – maar heb ik wel het recht om via deze weg het universum van de Voskuils te betreden? Weet ik zeker dat dit daadwerkelijk Lousjes bedoeling is? En zelfs als dat zo is: wat heb ik er mee te maken dat de stropdassen van Han ongeordend op een kleerhanger te kijk hangen en wandelschoenen en rugzak voor het grijpen liggen? En als me dat allemaal niets aangaat: waarom vind ik het dan toch zo jammer dat ik de titels op de ruggen van de boeken in hun kasten niet kan lezen?
Dat heeft vrees ik helemaal niets met journalistieke nieuwsgierigheid te maken. Het enige dat ik tegen mijn voyeurisme in kan brengen is dat J.J. en Lousje me dierbaar zijn. Dat ik beiden een paar keer ontmoet heb, J.J. na lang aandringen – en mede dankzij Hanneke Groenteman, Ellen Jens, en een zakje Zwolse balletjes – mocht interviewen, waarna we op bescheiden schaal een correspondentie voerden. Ik koester dierbare herinneringen, en Detlev van Heest en Michèle Baudet blazen die herinneringen nieuw leven in. Daar is misschien niet zoveel mis mee, behalve dan dat ik me af blijf vragen of de Lousje die ik ken hier haar goedkeuring aan zou hebben gegeven. Want die Lousje is verdwenen.
Liliane Waanders (1963) is (literair) journalist, redacteur, programmamaker. Zij interviewt al ruim dertig jaar schrijvers op podia, ontwikkelde Biografie op de bühne, het maandelijkse praatprogramma van Biografieportaal, recenseert voor Poëzietijdschrift Awater en maakt publiceren – boeken, podcasts, praatprogramma’s en evenementen – mogelijk bij Uitgeverij De Meent in Rotterdam. En ze heeft een eigen website: hanta.nl.
