Kleine en grote verhalen
Wat betekent het als schrijvers zeggen dat zij op zoek zijn naar kleine verhalen. Terwijl die verhalen over grote onderwerpen en belangrijke kwesties gaan.

Columnist Liliane Waanders stuitte in korte tijd een paar keer op auteurs die zich leken te verontschuldigen dan wel te verantwoorden voor de verhalen die ze op papier zetten.
Hij blijft maar benadrukken dat hij altijd op zoek is naar kleine verhalen. Waarna hij ter toelichting een paar voorbeelden geeft. En dat zijn bepaald geen geringe kwesties. Een voor een raken ze aan wat een mens tot mens maakt. Want in zijn ogen zijn kleine verhalen geen verhalen over ditjes en datjes: ‘het zijn verhalen die aansluiten bij de belevingswereld van de lezer.’ Kleine verhalen vertellen is voor hem ‘een manier om iets dat als abstract of iets dat als “ver van mijn bed” wordt beschouwd, invoelbaar te maken.’ Zo verwoordt Abdelkader Benali het in een gesprek dat ik nog niet zo lang geleden met hem voerde.
Hoewel ik er tijdens het gesprek niet precies de vinger op kon leggen, voelde ik wel dat er achter zijn betoog over ‘kleine verhalen’ een groter idee moest zitten. Misschien wel een idee dat ook door anderen al in de praktijk gebracht was.
In Ganzentijd zoekt Mirjam van Hengel naar een rechtvaardiging voor het schrijven van het verhaal dat ze aan het schrijven is. Het is het eerste boek waarin ze zelf een nogal centrale plaats opeist, al is ze altijd wel ergens in haar werk aanwezig. Ganzentijd gaat over een vader en over een dochter die rouwt om het verlies van haar vader. En die dochter is Mirjam van Hengel zelf. Er zijn tijdens het schrijven momenten dat de twijfel nogal heftig toeslaat: wat doet het ertoe dat zij zich uitput in het beschrijven van deze individuele, kleine levens?
Het antwoord op die vraag vindt Mirjam van Hengel als zij Het einde van de Rode Mens van Svetlana Aleksijevitsj uit de boekenkast van haar overleden vader plukt. Al in de inleiding wordt ze getroffen door een zin waardoor veel op zijn plek valt: ‘met die maat werk ik graag: die van een enkel mens’.
Wat Svetlana Aleksijevitsj doet spreekt haar aan en stelt haar gerust: ‘Door hoe ze alle kleine verhalen vormgeeft – van vrouwen, oorlogsveteranen, post-Sovjetburgers – schrijft ze het grote verhaal. Het punt waar het individuele verhaal raakt aan het uitdijende verhaal van de geschiedenis is het sleutelgat, kijk je erdoorheen dan bestaan klein en groot niet meer onafhankelijk van elkaar.’
Eigenlijk doet Mirjam van Hengel iets heel anders dan Abdelkader Benali en Svetlana Aleksijevitsj doen – en die twee passen het uitgangspunt ook al niet op dezelfde manier toe – of, om nog maar een voorbeeld te noemen, Jaap Scholten doet in Nastya in Charkiv: naar de frontlinie van Europa. Benali, Aleksijevitsj en Scholten dwingen de lezer onder ogen te zien hoe groot kwesties en conflicten zijn door de consequenties voor afzonderlijke individuen te beschrijven.
Waar het in het geval van Ganzentijd om gaat: Mirjam van Hengel zoekt naar een manier om een verhaal dat voor haar essentieel is – het verhaal waarin ze herinneringen ophaalt aan haar vader en rouwt om zijn dood – boven het particuliere uit te tillen. Want er zijn zoveel dochters die treuren om de dood van hun vader. En er zijn er ook al zoveel die daar een boek over schreven.
Ergens onderweg moet Mirjam van Hengel gedacht hebben: mijn vader is te onbekend om de lezer op te zadelen met zijn/ons verhaal. Mijn vader is van een andere orde dan Remco Campert, Leo Vroman en Dola de Jong –schrijvers waarover Mirjam van Hengel een biografisch getint boek schreef – en toch vind ik dat hij een uit woorden opgetrokken monument verdient.
Gelukkig trapt Mirjam van Hengel niet in de val van het abstraheren en blijft Ganzentijd het verhaal van deze ene vader en zijn dochter. Al is het mooi dat ze het vervlecht met een ander vader-dochterverhaal: Vader en dochter van Michael Dudok de Wit. Voor die inderdaad ontroerende animatiefilm van net iets meer dan negen minuten kreeg Dudok de Wit een kwart eeuw geleden een Oscar.
Sommige verhalen zijn hoe ogenschijnlijk klein en particulier ze ook zijn belangrijk genoeg om verteld te worden. Omdat ze in al hun eenvoud en directheid zo herkenbaar zijn, dat ze het niet nodig hebben om naar een groter verhaal te verwijzen. Ze doen niet onder voor de kleine verhalen die schrijvers schrijven om hun lezers een veel groter om allerlei redenen bijna niet in een keer te bevatten verhaal te vertellen.
The proof is in the reading.
Liliane Waanders (1963) is (literair) journalist, redacteur, programmamaker en sinds kort ook adjunct-uitgever. Zij interviewt al ruim dertig jaar schrijvers op podia, is betrokken bij Biografieportaal, bedenkt literaire programma’s, schrijft recensies en maakt boeken bij Uitgeverij De Meent in Rotterdam. En ze heeft een eigen website: hanta.nl.
meer nieuws
