Wat een ‘klassieker’ je kan geven
In de werkgroep Klassiekers zien we ons voortdurend geconfronteerd met de vraag wat een klassieker nu eigenlijk is. Bij elke nieuwe longlist die we samenstellen komt dat weer aan de orde. Het gekke is dat we intuïtief meestal wel weten of een boek een klassieker is of niet, maar dat het heel moeilijk valt te definiëren.

Lectuur en literatuur
Je hebt natuurlijk al het onderscheid tussen lectuur en literatuur. Hierbij is als eerste het taalgebruik, de stijl een onderscheidingscriterium, meteen gevolgd door de gelaagdheid van het verhaal. Het moet over meer gaan dan wat direct beschreven wordt. Die gelaagdheid onthult zich soms niet bij de eerste keer dat je het boek leest, maar schemert er wel doorheen.
Een voorbeeld van lectuur is de serie meisjesboeken van vroeger, verschenen in de serie Witte Raven Pockets van uitgeverij West-Friesland in Hoorn. In mijn vroege tienerjaren verslond ik ze en de boeken over Joop ter Heul van Cissy van Marxveldt bewaar ik nog steeds. Maar ‘eind goed, al goed’ en verder niks is op den duur toch niet zo’n bevredigende leeservaring. De stap naar de echte volwassen literatuur verliep voor mij via De klop op de deur van Ina Boudier-Bakker en De ogen van Roosje van Clare Lennart. De verhalen zijn gecompliceerder, er is meer aan de hand dan wat je op het eerste gezicht denkt (bij De ogen van Roosje) of ze geven inzicht in familieverhoudingen over generaties heen, die ondanks de historische afstand toch herkenbare karakters bevatten (zoals bij De klop op de deur).
Klassiekers voor ons nu
Maar de vraag was: wat maakt een boek tot een klassiek boek? Een veilige optie is om aan te sluiten bij wat anderen daarover al hebben bedacht: de boeken uit de Perpetuareeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep bijvoorbeeld, of de canon van de Nederlandstalige literatuur, waarvan onlangs weer een nieuwe editie is verschenen. Maar als je die probeert te overzien, wat is dan het gemeenschappelijk kenmerk dat ze tot ‘klassiekers’ bestempelt?
Klassiekers moeten natuurlijk tot het domein van de goede literatuur horen, maar een recent uitgekomen literair werk van verdienste is nog niet meteen een klassieker. In de werkgroep Klassiekers stellen we een grens bij het jaar 2000. Daarna verschenen boeken moeten eerst nog maar eens bewijzen de tand des tijds te kunnen doorstaan.
Maar hé, daar hebben we toch een criterium te pakken: klassiekers moeten ons ook nu nog steeds iets te vertellen hebben, zij moeten – ook al zijn zij in een andere tijd en andere cultuur verschenen – onze inzichten in ons zelf, de anderen en in de wereld om ons heen vergroten.
De Italiaanse schrijver Italo Calvino (1923 – 1980) heeft een mooi essay geschreven over de vraag waarom we klassieken moeten lezen en dat sluit goed aan bij mijn opvattingen daarover. Hij geeft wel veertien redenen en die moet je zeker zelf eens bekijken op de website van de DBNL. Maar dicht bij mijn ervaring zijn de twee volgende:
– Een klassiek werk is een boek dat nooit alles verteld heeft wat het te vertellen heeft
– ‘Jouw’ klassieke werk is het boek dat je niet onverschillig laat en dat je helpt bij het definiëren van jezelf in relatie tot en misschien in tegenstelling tot het werk
Met deze criteria kan ik in ieder geval uit de voeten. Twee boeken waarover recent een leeswijzer is gemaakt door de werkgroep Klassiekers kunnen dit illustreren:
De tienduizend dingen van Maria Dermoût, verschenen in 1955, gaat over een familiegeschiedenis op Ambon in het begin van de twintigste eeuw, maar het gaat over zoveel meer. Het geeft bijvoorbeeld op een niet nadrukkelijke wijze een levensles, over hoe je kunt omgaan met verlies. Of hoe je de natuur met gevoel maar zonder sentimentaliteit kunt beschrijven. Of hoe je de sociale verhoudingen in die tijd vanuit een niet-westers perspectief kunt weergeven. Deze gelaagde novelle heeft mij nu nog zoveel te vertellen. En het kan zelfs troost bieden.
Een ander voorbeeld is Kroniek in steen van Ismail Kadare, verschenen in 1990. Dit boek is geschreven vanuit de belevingswereld van de schrijver zelf als jong kind, die in zijn Zuid-Albanese stadje het opkomend fascisme en de Tweede Wereldoorlog meemaakt. Onderdrukking, terreur en angst zijn helaas universele gegevens, maar de manier waarop een fantasievol en taalgevoelig kind deze ervaart geeft er een poëtische dimensie aan. De schrijver vermengt hier op een speelse manier literatuur en werkelijkheid. Deze aspecten houden de zwaarte van de problematiek voor de lezer hanteerbaar zonder die te bagatelliseren en stimuleert het denken over veerkracht van mensen en de eigen opstelling in ontwrichtende situaties.
Dat is wat goede boeken ons ook na lange tijd kunnen geven en wat ze tot klassiekers maakt. Een klassieker is bovendien een gedeeld cultuurgoed dat generaties kan verbinden. En daarom moeten we klassiekers lezen en herlezen en nog eens lezen.
Jette Westerbeek
Canon van de Nederlandstalige literatuur 2025, kijk op Canon
Italo Calvino (1994). ‘Waarom je klassieke boeken moet lezen‘ In: Raster, nieuwe reeks, jrg. 1994 (nrs. 65-68), pp. 158-164. (vert. v. Arnan Oberski). Via: www.DBNL.org
meer nieuws
