De schrijvende opa van Johan Fretz
Liliane Waanders liet zich voor haar maandelijkse column inspireren door Onder de paramariboom van Johan Fretz, het boek dat centraal staat tijdens Heel Nederland Leest. Ze ging op zoek naar de poëzie van André Emiel Gilbert Brouwn, en belandde voordat ze het wist in diverse archieven op zoek naar bewijs van het tegendeel.

Johan Fretz weet natuurlijk precies waar hij vandaan komt. Als Tante Es hem zou vragen: ‘Wie is je vader, wie is je moeder’, dan zou hij zonder nadenken antwoorden dat hij de zoon is van Jan Fretz (die zijn Duitse wortels het liefst ontkent) en Virginia Brouwn (geboren en getogen in Paramaribo, maar terechtgekomen in Veenendaal). Op basis van die gegevens is het niet moeilijk om op papier te reconstrueren waar Johan Fretz precies vandaan komt. Een stamboom is zo gemaakt.
Maar in de praktijk blijkt het een stuk ingewikkelder om onder ogen te zien waar je vandaan komt. Daar gaat Onder de paramariboom van Johan Fretz over, het boek dat in november heel Nederland leest. Pas als hij uitgenodigd wordt om er een lezing te geven, zet Johannes Fretz zich ertoe om het land waar zijn moeder vandaan komt te bezoeken. Onder de paramariboom is een verslag van die achtdaagse reis, waarin Johan Fretz speelt met ieders vooroordelen en clichés. En Fretz weet het allemaal ook nog eens heel treffend te verwoorden, ook al kent hij het land, zijn familie en de taal vooral van horen zeggen.
Een van de laatste halteplaatsen tijdens wat toch ook wel een rootsreis genoemd kan worden, is het graf van André Emiel Gilbert Brouwn. ‘Het grafmonument is bedekt met lichtblauwe tegels. De steen is grijs. Aan weerszijden ervan staan pilaren met blauw-witte tegeltjes, die zo uit Zaandam lijken te komen: oer-Hollands. In letters zo sierlijk dat ze wel door opa zelf lijken geschreven, staat:
André Emiel Gilbert Brouwn
Geboren 6 – 6 – 1912
Overleden 10 – 11 – 1977
Vijfenzestig. Niet goed, niet slecht. Te vroeg in elk geval, maar ook weer niet zo vroeg.’
Van deze opa van moederskant erfde Johan Fretz schrijfgenen. Zijn opa schreef gedichten. Vlak voordat hij ingaat op de uitnodiging om in Suriname een lezing te geven, krijgt Johannes Fretz van zijn moeder een enveloppe met gedichten van zijn opa. In Onder de paramariboom citeert Johan Fretz een van de gedichten: ‘Wi Na Sranang-mang’ / ‘Wij zijn Surinamers’, waarin de dichter aanstuurt op eensgezindheid tussen de diverse bevolkingsgroepen.
Een toonaangevende dichter was André Emiel Gilbert Brouwn – hij publiceerde onder zijn eigen naam en onder het pseudoniem Gil de Bruin – niet. Zijn werk is niet opgenomen in de belangrijkste overzichtswerken. Daardoor kennen wij hem in Nederland niet.
En toch wel, want – en dat beschrijft Johan Fretz ook in Onder de paramariboom – er is André Emiel Gilbert Brouwn groot onrecht aangedaan. Ooit gaf hij een manuscript uit handen. Geen dichtbundel, maar een verhalenbundel die bedoeld was om mee te dingen in een schrijfwedstrijd. Volgens Johannes Fretz hoorde zijn opa nooit meer iets, maar ontdekt hij na verloop van tijd dat het boek gepubliceerd is met op de cover de naam van een andere auteur.
Zo staat het in Onder de paramariboom. En omdat Johan Fretz in zijn boek heel dicht bij de werkelijkheid blijft, ben je als lezer geneigd hem op zijn woord te geloven. Maar Onder de paramariboom is een roman, hoewel je dat tijdens het lezen bijna zou vergeten. Hoe het volgens een van de dochters van André Emiel Gilbert Brouwn ging: haar vader deed mee aan die wedstrijd en won. Hij kreeg een aanzienlijk geldbedrag en trok bovendien de aandacht van het Departement van Onderwijs dat behoefte had aan op Suriname afgestemd lesmateriaal. André Emiel Gilbert Brouwn was behalve dichter ook onderwijzer. Hij schreef voor zijn leerlingen verhaaltjes waarin zij zich ongeacht hun achtergrond konden herkennen. Daarbij liet hij zich inspireren door wat zijn leerlingen overkwam. Een delegatie van het Departement ontmoette haar vader, deed beloftes en in het volste vertrouwen gaf André Emiel Gilbert Brouwn zijn schriftjes met verhalen mee. Het was kinderboekenschrijver Anne de Vries die met de eer ging strijken, zijn naam prijkt op de cover van de leesboekjes over Loes en mama. Dat lees ik op waterkant.net, waar Nelly Bakboord op 8 en 22 juni 2013 in de columns ‘Boosheid’ en ‘Het begon met Loes en mama’ verslag doet van wat Rinia, een van de dochters van André Emiel Gilbert Brouwn, haar over de verhaaltjes die haar vader schreef vertelde.
Er is nog een andere waarheid. In 1957 staat er een interview met Anne de Vries in Dagblad De Stem (gelijktijdig gepubliceerd in een aantal andere regionale bladen). De kop luidt: ‘Anne de Vries verdreef Ot en Sien uit Surinaamse schoolboeken. Kinderen hoeven niet meer te lezen over sneeuwballen’. In dat stuk wordt beschreven hoe De Vries door een ambtenaar van het Departement van Onderwijs benaderd werd om een leesmethode voor scholen in Suriname te ontwikkelen. De Vries wil wel, maar kent het land niet. Hij gaat ter plekke onderzoek doen en keert vol indrukken en ideeën terug naar Zeist en begint te schrijven. En dan komt het: ‘Anne de Vries vulde zijn leesmethode aan met een bloemlezing in tien delen: “Wij en de wereld.” […] Voor die bloemlezing werd een prijsvraag uitgeschreven door het Departement van Onderwijs. Surinaamse onderwijzers van alle richtingen hebben er aan meegedaan en van de 400 bijdragen bleken vele zeer goed bruikbaar. Anne de Vries heeft al die verhalen methodisch en literair bewerkt en ze met eigen werk aangevuld.’
Is dit hoe het gegaan is? Was André Emiel Gilbert Brouwn een van die vierhonderd schrijvers? Want als dat zo is, dan zou het kunnen dat hij geweten heeft wat er met zijn manuscript ging gebeuren. Dan was van vervreemding van zijn intellectuele eigendom geen sprake. Uitsluitsel daarover kan ik niet geven. Ik heb gezocht in de nationale archieven van Nederland en Suriname in de hoop daar het reglement van de prijsvraag tegen te komen. Nog niet gelukt.
Voordat ik het wist, had ik het rijk van de verbeelding verlaten en was ik beland in de wereld van wetten en regels. Terwijl ik eigenlijk op zoek was naar de gedichten van de opa van Johan Fretz. Wie literatuur leest moet zich eigenlijk niets aantrekken van de werkelijkheid.
Er circuleren niet zo heel veel gedichten van André Emiel Gilbert Brouwn / Gil de Bruin op het internet. Ik vond er via dbnl.org een paar. Ze zijn gepubliceerd in het tijdschrift Soela. Het werk van Gil de Bruin staat er tussen dat van Bhai, Shrinivasi, Thea Doelwijt en Bea Vianen, Surinaamse schrijvers en dichters die meer naam maakten dan hij.
Net als in het gedicht dat Johan Fretz in Onder de paramariboom citeert, en net als in de verhalen over ‘Loes en mama’ blijft hij in de in nummer 2 van Soela gepubliceerde ‘erfkamerpoëzie’ dicht bij de mensen en die dingen die hij kende. Lees het gedicht ‘koto misi’ maar:
Heupwiegend, als ’n vorstin, komt ze aangetreden,
Een bont katoenen hoofddoek is haar kroon.
Koto en jaki zijn haar staatsiekleden
Zij toont – luidlachend – pareltandenschoon
Haar schone hals omvat een snoer van kralen
Neerhangend over borsten hooggetorst
Om haar werkgrage polsen boeien pralen
Zilver gesmeed of met ’n goudlaag omkorst
Luidruchtig en sonoor schalt ‘r lach in ’t ronde
Zij groet met ‘goedoe’, ‘skat’ en ‘lobi’ mij
Praat, druk-gebarend met geheel haar body
Schoonheidsbewust, charmant, eenvoudig, vrij
Wel weet door iedereen zij zich bewonderd
Toch voelt zij met haar ‘wonderaars zich één
Zij is het kind van blijde Emancipatie,
Van Suriname een vrijheidsembleem
Liliane Waanders (1963) is (literair) journalist, redacteur en programmamaker. Zij interviewt inmiddels al meer dan dertig jaar schrijvers op podia, was hoofdredacteur van de Boekenkrant, is betrokken bij Biografieportaal, maakt literaire programma’s, schrijft voor Awater en de Poëziekrant, werkt drie dagen per week bij De Meent, een kleine eigenwijze uitgeverij in Rotterdam, en onderhoudt een eigen literaire website: hanta.nl.
meer nieuws
