Het verhaal achter een verhaal
Ooit – ik weet niet meer wanneer precies, maar nog wel waar: in het huis van een schrijver – dreigde ik voordat ik er erg in had te belanden in een onverkwikkelijke discussie over de toegevoegde waarde van schrijvers en journalisten.

Plompverloren laat de schrijver weten dat hij geen hoge pet op heeft van journalisten. Journalisten leggen het in zijn ogen altijd af tegen schrijvers. Journalisten hoeven alleen maar op te schrijven wat er gebeurt, terwijl schrijvers alles zelf moeten verzinnen. Daar komt zijn kijk op de kwestie in het kort op neer.
Wat de schrijver eigenlijk bedoelt, is dat hij wat hij doet hoger acht dan het werk van degene die in zijn huis te gast is. Zijn succes staat in geen verhouding tot het resultaat van mijn ploeteren. Al heb ik alle argumenten paraat om te laten zien dat het allemaal iets genuanceerder ligt, ik bespaar mezelf de moeite die het kost om hem op andere gedachten te brengen. Deze schrijver is zelden voor rede vatbaar. En hij is nogal overtuigd van zijn eigen kunnen. Er is veel te zeggen over de verschillen tussen schrijvers en journalisten, maar er is ook minstens één overeenkomst: ze kunnen niet zonder een verhaal. Een verhaal dat het vertellen waard is. Daarna komt het aan op het vakmanschap van de schrijver dan wel journalist in kwestie of hij van dat verhaal een goed verhaal weet te maken. Of hij de lezer weet te boeien en te overtuigen van de noodzaak van het vertellen van juist dat verhaal. Of dat verhaal uit de dikke duim van een schrijver komt of door een journalist onttrokken is aan de werkelijkheid maakt uiteindelijk niet zo veel uit.
Aan die in de kiem gesmoorde discussie – liet ik me maar vaker niet uit de tent lokken – moest ik deze week denken toen ik twee boeken las waarin het hebben van een verhaal en de moeite die het soms kost om dat verhaal vervolgens op papier te krijgen centraal staan. Twee boeken van journalistiek angehauchte schrijvers.
In Een schim aan de Costa Brava gaat Leila Guerriero in het Spaanse dorp Palamós op zoek naar Truman Capote die zich daar in 1960 tijdens het schrijven van In Cold Blood/In koelen bloede terugtrok in afwachting van het voltrekken van de doodstraf aan Dick Hickock en Perry Smith – veroordeeld voor de viervoudige moord in Holcomb, Texas die de aanleiding voor het boek vormde. Guerriero gaat op onderzoek uit, om al snel te constateren dat de als excentriek te boek staande auteur een tamelijk anoniem leven geleid moet hebben aan de Costa Brava: er is bijna niemand meer die nog actieve herinneringen heeft Capote. Het zoeken en nauwelijks vinden is in Een schim aan de Costa Brava het Leitmotiv. In Writer’s Block is Michel van Egmond op zoek naar een volgend verhaal. Een verhaal dat uit kan groeien tot een boek. Maar hoe hij ook zoekt en hoe gefascineerd hij ook raakt door mensen met vanuit schrijversoogpunt beloftevolle levens – Writer’s Block bevat een verzameling aanzetten, aan elkaar geregen via gesprekken met vrienden over dat op zoek zijn naar verhalen die de anekdotiek overstijgen, en nog niet door een ander gekaapt zijn – het perfecte verhaal zit er niet tussen.
Capote was de grondlegger van een genre: met In Cold Blood/In koelen bloede schreef hij de eerste non-fictieroman. Feiten vormen de basis, maar Capote bediende zich van de verteltechnieken en stijlmiddelen die fictie te bieden heeft. Guerriero gaat op een vergelijkbare wijze te werk en treedt daarmee in zekere zin in Capote’s voetsporen. Een schim aan de Costa Brava laat zich lezen als een eerbetoon, maar wat Capote als eerste in zijn soort nog niet kon, kan Guerriero wel: reflecteren op wat er dankzij de kruisbestuiving tussen genres mogelijk is. Net als Guerriero is Van Egmond zich bewust van vakgenoten die het pad voor hem geëffend hebben. Hij haalt er in Writer’s Block een aantal aan: journalisten die meer deden dan feiten verzamelen. Journalisten die dankzij het zorgvuldig componeren van een verhaal mensen die zich buiten de schijnwerpers bevonden voor altijd aan de vergetelheid ontrukten. In vergelijking met Capote en Guerriero is Van Egmond nog meer een journalist dan een schrijver. Maar hij lijkt zich op een kruispunt van wegen te bevinden. In Writer’s Block is hij nog tevergeefs op zoek naar het perfecte verhaal, maar veroorlooft hij zich behoorlijk wat narratieve vrijheden.
Dat schrijvers zich meer vrijheden kunnen permitteren dan journalisten is een feit. Maar dat ontslaat hen niet van de plicht een plausibel en geloofwaardig verhaal te schrijven. Dat journalisten zich aan de feiten moeten houden, zal niemand betwisten. Maar het staat hun vrij om die feiten in de vorm van een pakkend verhaal te gieten. Schrijvers en journalisten zijn geen absolute tegenpolen, nooit geweest ook. Mijn gastheer overspeelde zijn hand. Hij had beter moeten weten. Literatuur en journalistiek zijn permanent in beweging. Schrijvers en journalisten leren van elkaar. En verhalen varen daar wel bij. Een goed verhaal combineert het beste uit beide disciplines. Zonder dat dat benoemd en benadrukt hoeft te worden.
Liliane Waanders (1963) is (literair) journalist, redacteur en programmamaker. Zij interviewt inmiddels al meer dan dertig jaar schrijvers op podia, was hoofdredacteur van de Boekenkrant, is betrokken bij Biografieportaal, maakt literaire programma’s, schrijft voor Awater en de Poëziekrant, werkt drie dagen per week bij De Meent, een kleine eigenwijze uitgeverij in Rotterdam, en onderhoudt een eigen literaire website: hanta.nl.
meer nieuws
